Posts tonen met het label kapelaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kapelaan. Alle posts tonen

maandag 18 april 2011

Kanunnik Lodewijk Van Haecke (1829-1912)

Laatste update: 31-12-2013


Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912
Lodewijk Van Haecke werd geboren te Brugge op 18 januari 1829. Hij was een vlijtige leerling, die vlug kon lezen en schrijven. Na zijn middelbare studies ging hij naar het klein en groot seminarie. Als subdiaken werd hij als professor benoemd aan het Bisschoppelijk college te Poperinge. Korte tijd daarna werd hij als leraar benoemd aan het Bisschoppelijk college te Brugge, maar dit was van korte duur. Hij trad er in het klooster der Jezuïeten. Ten gevolge van ziekte moest hij het klooster verlaten, nadat hij zijn noviciaat beëindigd had.

Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912

Hij werd kapelaan te Roeselare en daarna als professor benoemd te Oostende. In juni 1862 werd hij opnieuw naar Poperinge gestuurd. Daar had hij het gemunt op de Poperingse staatsman Arthur van Compernolle en belandde zo in de politiek. Er ontstonden al vrij snel vlugschriften over deze staatsman in het door hem opgerichte maandelijks tijdschrift ‘De Zeesterre’ van datzelfde jaar.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om in dit tijdschrift iets voor kinderen te schrijven, maar in 1864 werd er door een soort van comité, beleefd aan Van Haecke gevraagd ontslag te nemen. De reden was omdat hij te oud geworden was. Mgr. Faict was daarmee niet opgezet en liet dit weten, omdat Van Haecke zijn onderwerpen scherp op de voorgrond kwamen. Een bijzonderlijk gedicht van hem was: ‘Pietje de Dood’

Pietje de Dood

"Er was te Roeselare een zeker ventje, Jan genaamd…Eens had Jan een droom. Ik droom, zei Jan, dat ik naar Menen ging te voete…Gekomen aan den Aap – dat is een plaats langs de steenweg – sprong ik over de gracht en ging in het bos, ik weet niet meer waarom. Als Jan een eindje gegaan had, verschoot hij opeens, om erbij dood te vallen. Hij zag er immers een verschrikkelijk mager ventje tegen een boom zitten op amper vijf stappen van hem…Het was Pietje de Dood".

In 1864 werd Van Haecke benoemd tot geestelijk koster op St.-Michiels te Roeselare. Maar daar had hij nagenoeg hele dagen woordenwisselingen met de burgerkoster. Een overplaatsing drong zich op en kwam op de Sint-Jakobsparochie van Brugge terecht. Als ceremoniemeester van de Heilige Bloedprocessie kwam hij geregeld in aanvaring met de hoofdceremoniemeester Z.E.H. Kanunnik Deleijn. De reden was veelal te vinden in het feit, dat Van Haecke de naam van Mgr. Faict omschreef als ‘ Fieta Facit’. Ondanks daarvan, kwam hij over het algemeen heel goed overeen met Mgr. Faict.
Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912


Nog een meesterwerk van Van Haecke in navolging van ‘De Zeesterre’ was, de uitgave in 1877 van ‘Sinte Godelieve van Ghistel’. Het was een echt Vlaams volksboek, gemoedelijk met eenvoudige vertellingen, waar de kinderen die in patronaten gehuisvest waren naar hunkerden.

Hoe het anders kwam, dat Van Haecke kanunnik van Antiochië werd, daarover het volgende:

‘De Bisschop van Antiochië was Brugge komen bezoeken met Van Haecke als cicerone (begeleider). De buitenlandse Eminentie had zich zo goed vermaakt, dat hij voor zijn afreis het volgende schreef naar Van Haecke: ‘ Je vous porte dans mon coeur’. Van Haecke zette een h tussen de c en de o (choeur) en bedankte de Monseigneur voor zijne verheffing tot erekanunnik van Antiochië

Met ouder worden, nam hij als kapelaan ontslag van het Heilig Bloed en behield hij de titel van Ere-hoofdkapelaan van het Heilig Bloed. Lodewijk Van Haecke overleed op 25 oktober 1912  op 83-jarige leeftijd.

Volgende boeken werden door hem geschreven:

Poperinghe;
De geschiedenis van het H. Bloed;
O.L.Vrouw van Asschebroeck;
Notre Dame de la Poterie , à Bruges,…


Bron :
Ons Volk ontwaakt 30 november 1912
De eeuw van Brugge 1900-1919 - Brugsch Handelsblad
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© SABAM

dinsdag 17 februari 2009

Koningin Maria-Louisa 1812-1850

Een trek van liefdadigheid, door een ooggetuige uit Tervuren

Van H.M. de Koningin Maria-Louisa (1812-1850), werd door een brief van een ooggetuige, E.H. Pastoor Van Lint, kapelaan uit Tervuren bekend gemaakt:

" Het was op 18 december 18.., bijtend koud, bleef een dame op zekere afstand gevolgd door een livrei, stilstaan bij het zien van een kind dat weende. De dame vroeg aan het wenende kind wat er scheelde?

Koningin Maria-Louisa 1812-1850 (wikipedia)Mijn vader heeft mij het huis uitgejaagd en ik heb niet gegeten. Ik heb honger, zei het kind. Leid mij bij uw vader, antwoordde de dame. Ik durf dat niet, want hij zal zich in gramschap (wrevel) stellen, vervolgde het kind. Vrees niet zei de dame, ik zal u onder mijn bescherming stellen.

Daarop was het kind gerustgesteld en toonde het ouderlijke huis. Daar zat een vrouw, met bleke gelaatstrekken, in de hoek van de haard met een kind, dat nog jonger was op haar schoot. Over haar zat een jonge man, met een verwilderde blik, beledigingen makend. Wanneer de bezoekster binnenkwam draaide hij zijn hoofd om en riep op een woedende toon wat, dat zij kwam doen?

De dame zei, dat ze vergiffenis kwam vragen voor de kleine die bevend naast haar stond en haar kleren vastgreep. De vader brieste, het is een deugniet, ik weet niet wat mij weerhoudt om….. Bedaar zei de bezoekster, u bent een Fransman, ik hoor het aan uw spraak.

Welja antwoordde de vader, ik ben Fransman, heb mijn land gediend, veracht de naam en heb gevochten tijdens de revolutie. Thans ben ik verbannen en slaap op stro… De aristocratie heeft wederom gezegepraald. Men drijft opnieuw de spot met het arme volk.

De dame liet zich door deze alleenspraak niet afschrikken en richtte zich tot de vrouw die spraak - en bewegingsloos was gebleven. Haar hand toereikend, zei ze tegen haar met enige tederheid: goede vrouw, ik zie het, u lijdt. Wat kan ik doen om uw lijden te verzachten.

Ach! riep de razende man: madame is menslievend, zij zal u een aalmoes geven!

Neen! Sprak de bezoekster: neen ik kom u geen aalmoes geven: uw vrouw lijdt, zij heeft honger en het is mijn plicht haar te helpen. Wat u had moeten doen door te werken.

Werken! Maar denkt u dat, indien ik werk had, haar iets zou ontbreken en zij zich in deze staat zou bevinden?

Welnu, zei de dame: ik zal u werk bezorgen. Men bedriegt u brave man, indien men u zegt, dat alle rijken, zelfzuchtige en gevoellozen zijn . De vrouw des huizes onderbrak haar bezoekster door te zeggen: dat het troostende woorden waren, die haar de moed en de kracht gaven.

De man kreeg de tranen in de ogen en zei met bewogen stem: vergeef mij madame, ik was zo wanhopend, het lijden en gebrek aan eten voor mijn kinderen braken mijn hart en maakte mij zinneloos. Ach! Red mij, hou uw belofte, verschaf mij werk en ik zal als een eerlijk man leven.

De dame zei: ik beloof het u mijn vriend, u kunt op mijn woord betrouwen. Thans veroorlooft u mij in uwe ogenblikkelijke nood te voorzien, nietwaar? Bij het uitspreken van deze woorden, reikte zij hem een met goud gevulde beurs toe. Waarop de man ze niet wilde aanvaarden door te zeggen dat dit teveel was. Enige franken waren voldoende en ik zal ze u later terugbetalen.

Wanneer de dame haar identiteit op vraag van de man bekendmaakte, viel de man op zijn knieën voor zijn weldoenster, die Koningin Maria-Louisa bleek te zijn, en vroeg aan Zijne Majesteit of hij haar handen mocht kussen. De man kon zijn geluk niet op.

Helaas werd Koningin Maria-Louisa veel te vroeg aan België ontrukt.

Bron:
Gazette van Brugge, maandag 2 april 1883.
Noël De Mey
Foto: Wikipedia
© Sabam 2007

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.